'Noaberkracht'

Bij de gemeente Dinkelland ging ik aangifte doen van het overlijden van een te jonge man. Hij was 58 jaar – net zo oud als mijn zwager, dacht ik meteen – en plotseling overleden. Een natuurlijke dood, geheel onverwacht. Daar ben je als familie nooit klaar voor.
Zijn vrouw en dochters wisten desondanks heel goed hoe het afscheid moest worden ingevuld, want zij kenden hun echtgenoot en vader door en door. Tussen de tranen door werd er gelachen bij het ophalen van herinneringen; anekdotes waardoor voor mij deze man begon te leven. Het werd me snel duidelijk, dat hij geliefd was en op handen gedragen werd door zijn gezin, maar ook door familie, vrienden en buren.

Buren… zij worden in Twente ‘noabers’ genoemd. En eigenlijk dekt de vertaling naar buren de lading niet, want noabers zijn mensen die klaarstaan voor je, die niet per se direct naast je wonen, maar in de buurt zijn en verbonden zijn met jou en met elkaar. Die lief en leed met elkaar delen en er voor je zijn op het moment dat je het moeilijk hebt. Die feestjes met elkaar vieren en die samenwerken als de situatie daarom vraagt. Die lachen en huilen met elkaar, betrokken zijn bij elkaar.
Ik ken dat noaber-gevoel; ik ben ermee opgegroeid. Toen ik in Amsterdam woonde, wist ik niet eens wie mijn buren waren en toen ik eens naar buiten liep en uit het huis naast me ook iemand naar buiten kwam en ik die man groette, keek hij op alsof ik hem wilde bestelen! Dit gold trouwens niet voor elke buurt in onze hoofdstad, kwam ik na een paar verhuizingen achter, maar ik moest weer aan dit voorval denken toen ik over noabers nadacht.

Bij de gemeente Dinkelland staat ‘noaberkracht’ voor de gezamenlijke kracht van de gemeenten Dinkelland en Tubbergen; het noaberschap dat hen onderling verbindt. Deze plattelandsgemeenten kenmerken zich door hun nuchterheid, betrokkenheid en sociale karakter. Door krachten te bundelen staan ze sterker en samenwerken is dan ook een bewuste keuze. De term noaberkracht viel me op in het mailadres van de ambtenaar die mijn aangifte zou verzorgen. En mijn gedachten keerden terug naar de familie die ik bijstond, bij wie bijna elke dag wel een buurvrouw kwam om te informeren hoe het ging en een pan soep meebracht of een ovenschotel.

Omdat de overledene nog middenin het leven stond, zou het een drukke condoleance worden. De echtgenote had mij gevraagd om met de rouwstoet langs hun woning te rijden en daar even te stoppen. Ze had me al gezegd, dat er waarschijnlijk wel een paar buren langs de straat zouden staan.
We haalden mijnheer op van het afscheidshuis waar hij lag opgebaard om naar de aula te gaan voor de condoleance. Ik reed met mijn auto vooruit om de rouwstoet bij de woning op te vangen en kreeg een brok in mijn keel bij het zien van de enorme drukte langs beide kanten van de weg. Ik parkeerde wat verderop en liep terug naar de menigte. Toen de rouwauto arriveerde, liep ik ervoor met de echtgenote en haar oudste dochter. De jongste zat achter het stuur van de grote wagen. We bewogen ons door een haag van mensen die liefdevol witte rozen op de auto gooiden.

Noaberkracht. Krachten bundelen. Sociale betrokkenheid. Verbinding. Dit alles mocht ik ervaren in die paar minuten…

 

(Foto met toestemming van de familie geplaatst.)